donderdag 17 december 2009

Stekelige lijkdichten op Van der Straten

1681, Den Haag

Constantijn Huygens sr. (1596-1687) schreef op het overlijden van Doctor Willem Van der Straten (Stratenus) (1593-1681) een twintigtal van zijn befaamde lijkdichten, hetgeen in zijn oeuvre een opvallend hoog aantal is. Hoewel beide heren elkaar bij leven goed hadden gekend en zelfs (een tijd lang?) bevriend waren zet Huygens Van der Straten in zijn gedichten neer als een vrek en niet bepaald een sympathiek mens. Hij laat zelfs twijfel doorklinken over de werkzaamheid van de lucratieve medicijnen die Van der Straten tot op hoge leeftijd voorschreef en aan de man bracht. Uit de vele gedichten gewijd aan het overlijden van de ex-burgemeester, professor en lijfarts heb ik er enkele geselecteerd. Aardig is om te bedenken dat Huygens zelf ook al 85 (!) jaar oud was toen hij deze gedichten schreef.

GRAFSCHRIFT
Hier light Verstraten t’huijs, die arme rijcke Man,
Ey lacij, daer hy niet meer Gelds verdienen kan.
Dit lichaem had hy soo doorbalsemt met sijn’ Pillen,
Dat te bedencken staet of ’t wel sal rotten willen.
’K meen dat het droogen sal, gelyck het had begost,
Doen hij, schier Negentich, noch slaefden om den kost.
Sijn’ Erven laet hij maer wat Gouds tot haer verdoen, en
Een kael kort Manteltje, met een paer oude Schoenen.
Sy nemen ’t soo voor lief; ’tis ’t waerdighe Gewaed
Daer in hy ’t gulde slijck vergaerde langs de Straet.

Hoort, Erven; voelt hij noch in d’aerde wat mishagen,
’T is, dat hij onvernoeght in sijn’ te korte dagen,
Wat meer tyds had gewenscht om t’ uwer volle baet
Soo lang te ploegen, dat uw’ kaele Beurs in Staet
Van onverlegene gerusticheit gestelt waer,
En all datgh’ in sijn’ Cas soudt vinden, goed geel Geld waer;
Soo dat ghij nemmermeer den kommer uijt soudt staen,
Van ’teen aen ’t ander Brood, als Grootvaer heeft gedaen.
Maer dat’s mis. Gaet ghij niet, om sijn’ verwarde Boecken
Een Beneficitje van Inventaris soecken?
19 november 1681


 Constantijn Huygens sr., door J. Lievens

NOCH
Verstraten light hier in een’ dicke diere kist:
Wat sagh hij suer en scheel, Verstraeten, als hy ’twist.
eod.

NOCH (GRAFSCHRIFT)
Eens is Verstraten dood: O die hem by sijn leven
Twee drij Visitjens loon mooght schuldigh zijn gebleven:
Gaet haestigh en betaelt sijn arme kindskind af,
Soo gh’ hem sijn volle rust wilt gunnen in sijn Graf.
6 december 1681

NOCH
Met all’ sijn’ Haegsche winst heeft goede Vander Straten
Syn afgeslooft gebeent naer Uytrecht voeren laten:
Waer ’t moghelijck geweest, hoe geern’ had hij die Vracht
Op sijn’ ouw’ voeten noch gespaert, gelyck hij placht.
eod.

NOCH
De Doctor Vander Straten
Heeft eens de werld verlaten;
Staet te bedencken of dit droevighe gevall
Meer dooden geven, of meer levens berghen sal.
7 december 1681
Bron: www.let.leidenuniv.nl/Dutch/Huygens/index.htm

woensdag 16 december 2009

Kribwerkbaas Straatman wordt broeder

1842 januari 29, Maasbracht

Toen na de Franse Tijd Nederland haar onafhankelijkheid herwon èn een koninkrijk werd vond men (Willem I voorop) daarin aanleiding om een nieuw decoratiestelsel in te stellen. De Franse onderscheidingen werden namelijk afgeschaft. Voor militairen kwam de welbekende Willemsorde. Voor burgers werd een civiele pendant ingevoerd: De Orde van de Nederlandse Leeuw. Deze oudste en hoogste Nederlandse civiele orde werd op 29 september 1815 door Koning Willem I ingesteld.

De Orde "strekt tot vererende onderscheiding van Nederlanders die bewijzen geven van beproefde vaderlandsliefde, bijzondere ijver en trouw in het volbrengen hunner burgerplichten of buitengewone bekwaamheid in wetenschap en kunsten". Aan de orde was van 1815 tot 15 april 1994 ook de graad van Broeder verbonden. Dit was de graad voor het "gemene volk". Broeders werden wel verdienstelijk geacht maar kregen vanwege hun maatschappelijke positie binnen het decoratiestelsel geen ridderkruis. Onderscheid moest er immers wezen. In totaal werden 572 mensen benoemd tot Broeder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Een voordeeltje voor de Broeders was dat er, in tegenstelling tot de Riddergraden, aan de Broedergraad wel een geldelijke toelage verbonden was. Deze toelage was bij wet vastgesteld op 200 gulden per jaar. In de beginjaren was dat nog een aanzienlijk bedrag. Een dagloner verdiende in 1840 tussen de 60 en 75 cent per dag. Dus 200 gulden was toen een klein jaarloon. Maar omdat de toelage niet geïndexeerd werd verviel het meer en meer tot een fooi naar mate de tijd voortschreed.

Bij Koninklijk Besluit van 29 januari 1842 werd G. Straatman, Opzichter Waterstaat te Maasbracht, benoemd tot Broeder. Hoewel de officiële brief spreekt van Gerardus blijkt het hier te handelen om Gijsbertus Straatman. Mogelijk was zijn roepnaam Gert, en werd die weer gelatiniseerd tot Gerardus.

Gijsbertus (Gijsbert) Straatman, gedoopt (RK) 22 sept. 1809 te Pannerden, overl. 3 juli 1858 te Maasbracht, zoon van Theodorus Straatman en Elisabeth Hendriks, gehuwd 4 feb. 1831 te Pannerden met Albarta Gelsing, geboren te Pannerden, dochter van Gerhardus Gelsing en Johanna Hendriks. (Zie www.straatmannen.nl, parenteel Pannerden, VI.34)

In de huwelijksakte werd zijn beroep omschreven als "kribwerkbaas", hetgeen zich wel laat vertalen tot "opzichter waterstaat". Ook zijn schoonvader was werkzaam bij Waterstaat.

Welke heldendaad Gijbertus Straatman heeft verricht om de onderscheiding te verdienen wordt uit het Koninklijk Besluit niet duidelijk. Maar een redding van een drenkeling ligt voor een kribwerkbaas voor de hand. Wie kan hier verder helpen?

Bron: C.P. Mulder en P.A. Christiaans, Een gemengd gezelschap en een vergeten onderscheiding. Broeders in de Orde van de Nederlandse Leeuw 1816-1960, in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, jaargang 42 (Den Haag 1988), pag. 213-272

Met dank aan collega's Martin Spaans en Peter Christiaans

zondag 13 december 2009

Constantijn Huygens en Graaf Straetman delen hut en bed ?

1693 maart 28 - april 12, Engeland / Hoek van Holland.

Constantijn Huygens jr. (1628-1697) volgde zijn vader Constantijn Huygens sr. (1596-1687) op als secretaris van Stadhouder Willem III (vanaf 1688 Stadhouder-Koning).
Constantijn jr. hield een dagboek bij, het bekende Journaal dat loopt van van 21 october 1688 tot 2 september 1696. Als secretaris was hij deel van het reizende circus van de Stadhouder-Koning, die bij toerbeurt hof hield in Engeland en in Nederland. In 1693 reisde hij samen met Graaf Straetman van Engeland naar Hoek van Holland. Het betreft hier Heinrich Johan Franz Graf von Strattmann (1662-1707), die van 1691-1693 Keizerlijk gezant in Engeland was en in de loop van 1693 Keizerlijk gezant in de Nederlanden werd. Hij was de zoon van de Hofkanzler Theodor Althet Heinrich Graf von Strattmann. Eleonora Gräfin von Strattmann, die Wiener Lori, was zijn zus.
Bij die gezamenlijke overtocht deelden Constantijn Huygens en Graaf Straetman aan boord van het jacht de Catherine de hut en, afhankelijk hoe je de tekst wil lezen, ook het bed...


Constantijn Huygens jr.
zaterdag 28 maart 1693  

De Wilde quam mij seggen, ...//... dat Blatwait hem geseght hadde, dat ick met de Graef Straetman, Envoyé vann Keyser, en Soasso op 't jacht de Catherine over soude gaen.

maandag 6 april 1693

De Graef Straetman met mij op het jacht de Catherine sullende gaen, had versocht, soo de Wilde seyde, om met dat jacht tsamen met het pacquetboot vooruyt te mogen gaen, als de windt het eenighsins soude toelaeten, maer de Con. had het niet goedtgevonden

vrijdag 10 april 1693

Smerg. was Sylvius bij mij. Eerst joff. Hacquart heen en weder. De Wilde quam ten ½ 6 seggen, mij wacker maeckende, dat de windt goedt was. Stond daerop op en haeste met ordre te stellen, soo veel ick konde, moetende weder ander eten om tscheep te nemen noch doen gereedt maecken in groote haest, en de Con. te land van Kinsington naer Gravesend gaende, quam ten 11 uren door Londen. Sylvius en Boision importuneerden mij. Ten 12 ueren gingh met een barge van 6 roeyers daer mede nae toe. Komende daer, was de Con. al de rivier afgesackt, maer lagen daer noch 4 a 5 jachten, en had de Con. gelast aen Capn Willison van Catherine in 't voorbijvaren, dat mij soude inwachten. In dit jacht vondt de Graef Straetman, Envoyé van Keyser, en Soasso met sijn nieuwe vrouw-schoonmoeder, Levi Duarte's Erfgenaem, en noch eenige andere Joden. Ick sliep met Straetman in achtercamer, in een naeuw opslaende beddetje, en att met hem en noch een of 2 Hooghduytsche Edeluyden, heel wel met haer zijnde.

zaterdag 11 april 1693

Smergens te 7 ueren gingen tzeil van Buoy in the Nord, tot daertoe omtrent daeghs te voren zijnde afgesackt, en avanceerden den ganschen dagh met goede windt en seer gemackel. weder.

zondag 12 april 1693

Smergens ten 5 ueren sagen land, en hebbende al voort geseilt, ende Con. Van ons naer den Hoeck van Hollt geloopen zijnde om tot Rhynenburgh te gaen eten, kregen een vissers-schuytje, die cabeljaw en schelvis in had, en daermede tegen den doncker te Maesland-sluys binnen quamen, gaende tot de Commisss van̅ schuyten, die oock herbergh hield, in, onder een menichte van menschen. Bij geluck was den Hertoch van Schomberg met den Ambassr Myl. Dursley en de Gr.v. Valsassine in een schuyt, en van mij gehoort hebbende, lieten mij versoecken met haer te gaen, hoewel de schuyt seer vol was. Quamen soo savonts ten half tween in Haegh en bij mijn vrouw.

Puzzel - 3

1492 - 1558,  Angerlo / Bahr en Lathum


In Angerlo, ten zuiden van Doesburg op weg naar Rheden, lag vroeger het Zutphense leengoed de Hekersche slach. Van de opeenvolgende leenmannen van dit leen is een register bijgehouden. Een deel daarvan is relevant voor dit onderzoek:
  • Cunegonde, huysfrou Loeffs van Smalenborch, erve hares broders Hermans ten Have, ontfengt end transporteert dit leen voort op Arnt ter Straten, anno 1492.
  • Henrick van der Straten, erve sijnes vaders Arnts, a°. 1509.
  • Henrick op der Straten, onmundig, erve sijnes vaders Henrix, beleent, 5 Nov. 1521. Walraven van Baex is sijn hulder. Sijne moder Gertrud Wychers wort hare tucht voorbeholden.
  • Idem stelt tot hulder Jacob die Ruter, 13 Maii 1533.
  • Idem doet selfts eedt, 24 Oct. 1538.
  • Idem vernijt eedt, 26 Junii 1544.
  • Henrick ten Holt bij transport Henrix voorn, ontfengt een goet, genoemt den halven Hekerschen slach, in den kerspel van Angerlo, in den gericht van Doesborch gelegen, tot Zutphenschen rechten, 9 Oct. 1548.
  • Johan ten Holte, erve sijnes broders Henrix, draecht dit voort op Gerrit ten Bongart. Ende Heesken Holthuys met Herman ten Holt, haren soon, oick hare 4 dochteren Henrixken, Willemken, Grietken ende Hilleken ten Holt vertyen op haer actie, 20 Martii 1555.
Hieruit kan een korte stamlijn Van der Straten worden samengesteld.

  1. Arnt ter Straten, overlijdt ca. 1509
  2. Henrick I van der Straten, overlijdt ca. 1521, huwde Gertrud Wychers
  3. Henrick II op der Straten, verkoopt Hekersche Slach 1548 aan Henrick ten Holt.
Het aardige is dat Henrick II op der Straten de Hekersche Slach lijkt te verkopen aan iemand uit een familie die ook in de Veetelling van 1526 van Rheden wordt genoemd. (Zie "Puzzel - 2".) Leengoederen gingen zelden zomaar over op "wildvreemden". Meestal erfden ze over in de familie of werden ze bij wijze van gunst tegen betaling overgedaan aan een bekende of familielid. Het meest waarschijnlijke is volgens mij zelfs dat de verkoper Henrick op der Straten was gehuwd met een meisje Ten Holt, of omgekeerd dat Henrick ten Holt  gehuwd was met een meisje Op der Straten. Hoe dan ook lijkt het zeer aannemelijk dat Henrick II dezelfde is als Henr. opter Straten die in 1526 werd genoemd als eigenaar in de Veetelling van Rheden. Herman opter Straten uit diezelfde veetelling kan dan niet Henricks vander zijn geweest, wel mogelijk diens broer of oom.

Een ander relevant leengoed was Die Uytmate en die Vollick by Bair in de kerspel Lathum, gelegen ten zuiden van Angerlo aan de IJssel tegenover Rheden:
  • Een erf en goed, gelegen tot Latum en bij Baer, geheeten die Uytmate en die Vollick. Henrick ther Straetten na transport van Deryck Makereell, 17 April 1506.
  • Henrick opter Straten, vermits doode van Henrick opter Straten, zijn vader, 5 April 1548.
  • Idem draagt die Utmaten en die Volck op aan Goesen Everts, die daarmede beleend is, 4 Januari 1558.

Detail kaart van Ortelius uit 1573, 
met centraal Rheden (Ree), Lathem en Angerlo (Angelre)

Waarschijnlijk gaat het om dezelfde Henrick opter Straten als die van de Hekersche Slach. Henrick I verwierf dan in 1506 Die Uytmate en erfde vervolgens in 1509 de Hekersche Slach van zijn vader Arnt. Het overlijden van Henrick I komt in dit lijstje niet tot uiting, hetgeen niet uitzonderlijk is. In 1548 overlijdt dan Henrick II.. Zijn zoon, die ook weer Henrick heette, erfde leengoed Die Uytmate en de Hekersche Slach, maar verkocht de laatste meteen door aan Henrick ten Holt. Als we dit aannemen moet de stamlijn worden uitgebreid met één extra Henrick opter Straten:
  1. Arnt ter Straten, overlijdt ca. 1509
  2. Henrick I van der Straten, overlijdt ca. 1521, huwde Gertrud Wychers
  3. Henrick II op der Straten,  overlijdt ca. 1548
  4. Henrick III opter Straten, verkoopt Hekersche Slach 1548 aan Henrick ten Holt, verkoopt 1558 Die Uytmate en die Volck aan Goesen Everts
Terug naar Geertruijt Straetman en Hendrik Heijdendael: Geertruijt kan een zus zijn geweest van Henrick op der Straten die overleed in 1548 en een dochter van Henrick van der Straten en Gertrud Wychers. Henrick opter Straten kan de zegelaar uit "Puzzel - 1" zijn geweest. En Willem opter Straten uit datzelfde verhaaltje, die gehuwd was met Geertruijt Baerken, mogelijk Henrick's broer. Dan volgt deze hypothetische genealogie:
I           Arnt ter Straten, + ca. 1509, volgt II
II          Henrick I van der Straten, + ca. 1521, huwde Gertrud Wychers. Volgt III-A en III-B
III-A    Henrick II op der Straten,  overlijdt ca. 1548. Volgt IV-A en IV-B
III-B    Geertruijt Straetman, huwde Hendrik Heijdendael
IV-A    Henrick III opter Straten,
IV-B    Wilhem opter Straten, huwde Geertruijt Baerken


    Bron 1: Register op de Leenaktenboeken van het Vorstendom Gelre en het Graafschap Zutphen, bewerkt door J.S. van Veen, Arnhem 1917, pag. 197-199
    Bron 2: Register op de Leenen der Bannerheerlijkheid Baer en de Heerlijkheid Lathüm, bewerkt door  W. Wijnaents van Resandt en Dr. J. S. van Veen, Arnhem 1926, pag. 34

    Puzzel - 2

    1526, Rheden


    In 1526 werd in Gelre op last van de Hertog een veetelling gehouden met het oog op belastingheffing. In Rheden (op de Veluwezoom), tussen Arnhem en Doesburg, werden o.a. de volgende eigenaren met hun vee ingeschreven:
    • Arnt Heijendall: 14 paarden, 1 eenjarig veulen, 13 koeien, 14 pinken (eenjarige koe), 1 vaars (tweejarige koe),  1 driejarige koe, 31 schapen, 4 varkens, 14 tweejarige varkens.
    • Henrick Beecker: 14 paarden, 2 eenjarige veulens,14 koeien, 12 vaarzen, 10 varkens, 14 eenjarige varkens en 24 schapen
    • Henrick then Holte: 4 eenjarige runderen en 1 eenjarig paard
    • Henr. Opter Straten: 10 oude paarden, 1 eenjarig veulen en 3 tweejarigen', 11 koeien, 10 pinken en 11 vaarzen, 11 varkens en 15 schapen
    • Herman Opter Straten: 98 schapen
    • Jan Kreijenfenger Bernts: 7 paarden, 8 koeien, 4 pinken, 5 vaarzen en 306 schapen
    Arnt Heijendall, Henrick Beecker en Henr. Opter Straten waren daarmee veruit de grootste veehouders van alle bijna 100 personen uit Rheden die in de Veetelling werden genoemd.
    In de eerste helft van de 17e eeuw waren nog steeds leden van de families Heijdendael en Straetman / opter Straten (en Ten Holt) eigenaar van aanzienlijke stukken land in Rheden en de aangrenzende dorpjes.


    Het ligt voor de hand dat telgen uit families van vergelijkbare welstand uit het zelfde dorp met elkaar trouwden. Zo ook mogelijk Hendrik Heijdendael en Geertruijt Straetman uit de vorige bijdrage ("Puzzel - 1"). Was Hendrik een zoon van Arnt Heijendall en Geertruijt een dochter van Henr. opter Straten? En wie was hier Herman opter Straten? De vader, een broer of zoon van Henr.?


    Bron 1: De Veetelling van 1526. Gelders Archief, Hertogelijk Archief, toegang 1363, Opteykeninge vand'beesten op alle die Veluwen en Veluwensoom, getranscribeerd door R.M.A. Wegman, Westervoort 1990
    Bron 2: Gelders Archief, Oud Archief Arnhem, toegang 2000, inv.nr.'s 5926 (1611-1618), 5927 (1621-1625), 5928 (1626-1631) & 5929 (1632-1637), Schatcedullen Veluwezoom


    Puzzel - 1

    1547-1560, Doesburg

    In de 16e eeuw zijn de bronnen voor genealogisch onderzoek meestal schaars. Kerkboeken zijn er vaak nog niet, veel materiaal is verloren gegaan en de bronnen die je wel vindt geven vaak maar incomplete stukjes genealogische informatie. Kieskeurig kun je echter niet zijn. Je moet blij zijn met ieder gegeven dat je kunt vinden en woekeren met het materiaal.
    In het inventaris van het Archief van Huis Keppel trof ik het navolgend regest.

    1547 mei 11, Drempt
    Henrick van Scharpenzell (= Scherpenzeel), richter in het ambt van Doisborch (= Doesburg), oorkondt, dat Johan van Palant, heer tot Voirst en Keppel etc., en diens vrouw Elyzabeth, de helft van 15 akkers land, gelegen in het kerspel Drempt, in het voornoemde richterambt, inlossen van Wyllem Bairken (= Baerken) en diens vrouw Elsken, Arnt Baerken en diens vrouw Heesken, Wyllem opten Strate en diens vrouw Geertken, Johan Boekefoirt en diens vrouw Ryka, Arnolda, wed. van Symon Baerkens, en Fya the Kollick, om deze 15 akkers aan het gasthuis binnen Keppel in gebruik te kunnen geven. (Oorspr.  inv.nr. 1330, met het zegel van den oorkonder en de licht aan den rand geschonden zegels van Wyllem Telchuys en Sander die Wyse, gerichtslieden.)

    Een hele rits namen van mensen die op de een of andere manier in relatie tot elkaar staan. Er wordt een stuk land verkocht. De verkopende partij bestaat uit een behoorlijk aantal mensen. Die mensen waren samen eigenaar. Mogelijk dus familie. Maar onduidelijk is op welke manier ze verwant waren. Voor mij was het interessant om te weten welke rol Wyllem opten Strate en zijn vrouw Geertken hier spelen.
    Eerst ging ik in mijn aantekeningen zoeken naar andere vermeldingen van ene Willem opten / op ter / van (der) Strate(n). En ik vond het navolgende:

    1560 november 12, Zutphen (Dynxdach post Martini in den wijnter)
    Int jair ons heren duysent vyffhondert ind sestich op Dynxdach post Martini in den wijnter. Henrick Bairken en Johan Zoir, scheidslieden, vanwege Wilhem Bairkens (= Baerken) en zijn vrouw Wendel enerzijds en Wilhem ter Straten en Henrick ter Straten als scheidslieden vanwege Geertrudt Stockmans, zuster van Wendele, anderzijds, oorkonden, dat zij een magescheid gemaakt hebben tussen partijen aangaande het door Wendele en Geertrudt’s ouders nagelaten goed. (Met de -deels zwaar- geschonden zegels van Henrick Bairken, Johan Zoir, Wilhem en Henrick ter Straten in groene was. )

    Het gaat hier waarschijnlijk om dezelfde Willem, die weer wordt genoemd in relatie tot de familie Baerken. Hoewel het al prettig is dat ik nog een aantekening kon vinden, word ik er niet meteen veel wijzer van. Hoe Willem en Henrick zich tot elkaar verhielden is bijvoorbeeld onduidelijk. Waren ze broers of was Henrick de vader van Willem? Wel beschik ik over afbeeldingen van de zegels van beide mannen.


    Zegels van Wilhem en Henrick ter Straten

    In het wapen van Wilhem een omgekeerd hoefijzer voor. In het wapen van Henrick een hooivork en een gestileerde uitkomende bok. Die bok is een oude bekende uit het wapen van de familie Van Straten / Straetman uit Gelre en Utrecht. (Zie afd. heraldiek op www.straatmannen.nl.) Hooivork en hoefijzer verwijzen waarschijnlijk naar beroep of gilde.

    De volgende stap was zoeken naar informatie over de familie Baerken. In de Navorscher van 1910 vond ik een  serie bijdragen van  J. Kleijntjens op basis van een genealogie die in 1745 was opgesteld door P.C. Baerken. Daarin vond ik het het volgende gezin:

    Hendrik Baerken huwde Ida ten Berghe.
    Uit dit huwelijk:
    1. Wilhelm Baerken, burgemeester van Doesburg (1550), huwde 1 met onbekend, huwde 2 met Elisabeth Heijdendael, dochter van Hendrik Heijdendael en Geertruijt Straetman.
    2. Arend Baerken, huwde 1 met Elisabeth ten Heinckinck, huwde 2 met Emerentiana Horstinck
    3. Geertruijt Baerken
    4. Rijcka Baerken
    5. Simon Baerken
    6. Hadewich Baerken
    De namen uit het regest van 1547 passen precies op dit gezin.
    1. Wilhem Bairken en diens vrouw Elsken zijn Wilhelm Baerken en Elisabeth Heijdendael.
    2. Arnt Baerken en diens vrouw Heesken zijn Arend Baerken en Emerentiana Horstinck
    3. Wyllem opten Strate en diens vrouw Geertken matchen met Geertruijt Baerken
    4. Johan Boekefoirt en diens vrouw Ryka matchen met Rijcka Baerken
    5. Arnolda, wed. van Symon Baerkens matcht met Simon Baerken
    6. Fya the Kollick stellen we ons bij deze dan voor als weduwnaar van Hadewich Baerken.
    Dit leert ons dat Willem opten Strate vóór 11 mei 1547 huwde met Geertruijt Baerken en stierf ná 12 november 1560. Een hoop gepuzzel voor een beetje resultaat. Maar als je dat soort inspanningen maar blijft herhalen kun je uiteindelijk ooit een leuke 16e eeuwse genealogie bouwen.

    Volgende vraag die zich opdringt: hoe verhielden Willem en Geertruijt Straetman zich tot elkaar?
    Uit de Collectie Steenkamp-Damstra bij het CBG weet ik dat Geertruijt het bekende wapen met de bok voerde. Haar achternaam doet wel erg modern aan, tussen alle 16e eeuwse van der, opten en opter Straten. Dit laat zich eenvoudig verklaren doordat de vermelding afkomstig is uit het 18e eeuwse handschrift, toen de naam Straetman al lang gemunt was voor de familie die zich enkele eeuwen eerder van andere varianten bediende.  Naar alle waarschijnlijkheid was zij een tante van Willem. Daarover een andere keer meer...

    Bron 1: Inventaris van het archief van het Huis Keppel (1272-1853) (in Het Gelders Archief), door Mr. A.P. van Schilfgaarde, Tweede deel: regestenlijst en index, Arnhem 1955 (1975), reg.nr. 531
    Bron 2: Regionaal Archief Zutphen, Particuliere Charters 1297 – 1809 regesten , Archiefnr. 191, reg.nr. 1157
    Bron 3: Geslachtsboek der familie Stenderingh-Baerken en aanverwante families, door Jos Kleijntjens, in: De Navorscher Jaarg. 59 (1910)

    dinsdag 24 november 2009

    Kasteel Straatman ?

    De meeste stammen Straatman in Nederland vinden hun oorsprong in Gelderland. In de 16e eeuw noemden ze zich daar afwisselend Straetman, Op ter Straten, Van Straten of Verstraeten, waarbij verschillende spellingen werden gehanteerd. Sommigen werden geboren als Op ter Straten, kochten een huis als Verstraeten en werden begraven als Straetman. Hoewel er nog veel onderzoek naar gedaan moet worden heb ik al kunnen vaststellen dat veel Straatmannen toen behoorden ze tot de betere kringen. Er was ook sprake van bezittingen en een zekere rijkdom. Ze huwden met telgen van stedelijke patriciaatfamilies in Arnhem en Doesburg of landadel in de Veluwezoom.
    In de oude legende De Witte Juffer van Hoog Soeren is er (voor wat het waard is) zelfs sprake van een kasteel nabij Hoog Soeren dat door een Straatman werd bewoond:

    ...Hoog Soeren is waarschijnlijk ouder dan Apeldoorn. Er was reeds zeer vroeg een nederzetting van de oudste bewoners der „Vale Ouwe". Dit bewijzen de talrijke Germaansche grafheuvels, die er worden aangetroffen. De bron van Pomphul is zoo oud, dat ze wel door Wodan zelf verwekt kan zijn. De naam Pomphul is eigenlijk van later tijd, want de oude naam, die ook nog wel gebruikt wordt, is Spring-del (dal van de spreng, of brondal) een naam die veel eigenaardiger is dan het tweeslachtige en ongemotiveerde „Pomp-hul"(pompheuvel). Het is nog niet eens zoo heel lang geleden, dat daar volstrekt geen pomp te zien was, en het water er uit den grond opwelde. Door deze bron en den later gegraven put in de Steeg (waarop nu ook een pomp staat), was Hoog Soeren als een oase gelegen midden in de droge woestenij der Vale Ouwe. Deze laatste put behoorde bij het kasteel, dat gestaan heeft op het kruispunt, waar nu de wegen bij elkaar komen van den Echoput, van Apeldoorn, van Assel en van den Dassenberg. Bij het aanleggen van den grindweg stootte men op de kelders van het kasteel en vond daarin nog steenen kogels. Volgens de overlevering was de laatste kasteelbewoner Straatman geheeten en moeten de stallen gestaan hebben op de hoogte waar zich nu het hotel Eik en Dal bevindt...

    Als hier al een kern van waarheid in schuilt, dan moet het kasteel vernietigd zijn vóór de Tachtig Jarige Oorlog. Want uit de tijd van de Republiek ken ik de bronnen goed en is er nergens sprake van zo'n kasteel.

    Bron: Veluwse Sagen, geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné, derde druk, Amsterdam 1917, pag. 32-33


    Pomphul, Hoog Soeren

    Graf von Strattmann

    Kleef-Wenen, 1637-1693

    Theodor Althet Heinrich von Strattmann werd in 1637 te Kleef geboren als zoon van de Kurfürstlicher Brandenburger und Pfalzneuburgischer Hofrat (tevens in 1648 Kleefse Burgemeester en Schutterskoning) Hendrick Straetman en Gijsberta van Achteveld. In bronnen en literatuur wordt hij afwisselend Straetman of (von) Strattmann genoemd, in allerlei varianten. Ook zijn voornamen worden nog wel eens door elkaar gehusseld of deels weggelaten. Soms resteert alleen "Heinrich".

    T.A.H. Straetman (Clivensis) werd op 24 mei 1654 aan de Universiteit van Keulen gelijktijdig met Rein. ab. Haverloo (Amorsfortensis) ingeschreven, met de toevoeging "ex. gymn. patrum inscrip. Logici Papst". Hij vervolgde zijn studie per 17 augustus 1657 aan de Universiteit van Leuven en studeerde af in de rechten en "freie Kunsten".



    Vervolgens doorliep hij een glazende diplomatieke carrière die op voorspraak van zijn zwager Werner Wilhelm von Blaspil startte in dienst van de Brandenburgse Keurvorst. In goed overleg stapte hij in 1666 reeds over naar het Hof van Pfalz-Neuburg waar hij het in 1672 schopte tot Vice-Kanselier. Bij diverse gelegenheden maakte hij een goede indruk op gevestigde Europese topdiplomaten. Johann Graf von Goess, de latere bisschop van Gurk, pleitte al in 1667 bij de keizer ten gunste van Straetman voor de functie van gezant in de Nederlanden, toen deze vacant kwam na het overlijden van Jean Friquet. Hij was dan wel jong, maar hij had rechten gestudeerd, had praktische ervaring in het rechtwezen, sprak naast Duits ook Nederlands en Frans, kon goed met mensen omgaan en had guts juditium, gratiam et modum in tractando, Discretion und Bescheidenheit. Dit maakte hem over de standsgrenzen geliefd; in genere morum: Concienz, Pietät un Probität, keine Laster, kein Geldinteresse, noch sordes, welche auch die guten Qualitäten, sonderlich in solcher Profession, inutil und auch schädlich machen. Maar voor een overstap naar het Keizerlijke hof was het nog iets te vroeg.


    Als diplomaat werd hij door Hertog Philipp Wilhelm von Pfalz-Neuburg ingezet in het diplomatieke steekspel rond de Poolse Koningskwestie (1668-69) en speelde hij als onderhandelaar en pendeldiplomaat een sleutelrol, zo niet die van regisseur, bij de onderhandelingen voor het Verdrag van Vossem tussen Brandenburg en Frankrijk in 1673. Straetmans broodheer was niet alleen zéér in z'n nopjes met zijn diplomatieke resultaten, beide heren raakten ook persoonlijk bevriend, getuige de voor die tijd bepaald ongewone aanhef van de Hertog in zijn brieven aan de Vice-Kanselier: "Lieber Strattmann".  Zijn laatste kunststukje voor de Hertog verrichtte Straetman door bij Keizer Leopold I met succes te ijveren voor diens derde huwelijk, op 14 december 1676 te Passau, met Eleonore Magdalena Theresa von Pfalz-Neuburg, de dochter van Philipp Wilhelm.

    Tijdens deze huwelijksonderhandelingen werd tevens overeengekomen dat Straetman de overstap zou maken naar Keizerlijke dienst. Alwaar hij meteen voor de leeuwen werd gegooid als één van de drie Keizerlijke gezanten bij de onderhandelingen voor de Vrede van Nijmegen in 1677. Daar trof hij de Bisschop van Gurk, zijn vroege pleitbezorger, aan zijn zijde. Op 4 maart 1683 werd hij benoemd tot Hofkanzler. Straetman kreeg van Leopold I op 30 september 1685 de titel Reichsgraf. Ook met de Keizer bouwde Straetman een bijzonder goede verhouding op. Hij werd gewaardeerd om zijn rust, overzicht, scherpzinnigheid, vasthoudendheid en het feit dat hij in enkele uren het werk kon verzetten waar een ander en dag voor nodig had. En geliefd vanwege zijn trouw, onkreukbaarheid, spitsvondigheid en charme. Hoewel hij de functie nooit officieel bekleedde werd Straetman als primus inter pares algemeen beschouwd als eerste minister.

    De Keizer uitte zijn dankbaarheid niet alleen met mooie woorden en titels. Ook financieel werd hij goed beloond. Bij zijn dood op 25 oktober 1693 luidde zijn volledige titel Reichsgraf von Strattmann und Peuerbach, Heer van Orth a/d Donau, Bruck a/d Aschach, Spättenbrunn, Haiding und Schmiding en Rothenburg am Inn. Hij bezat het stadspaleis Palais Strattmann in Wenen en het lustoord Neuwaldeck even buiten de stad. Zijn kinderen erfden ieder een kapitaal van enkele honderdduizenden guldens.

    Tegenwoordig wordt hij door historici beschouwd als de belangrijkste Duitse diplomaat uit de tweede helft van de 17e eeuw.

    maandag 23 november 2009

    Ene Straatman trouwt maitresse van d'Artagnan

    1642, Parijs

    Charles de Batz de Castelmore, Comte d'Artagnan (Loupiac 1611 - Maastricht 25 juni 1673) werd door toedoen van de Comte de Treville (1598-1672), een vriend van zijn vader,  opgenomen bij de Garde van de Mousquetiers. In zijn jonge jaren was d’Artagnan nogal een heethoofd, die zichzelf regelmatig in de nesten werkte.


    In 1642, het jaar dat Kardinaal de Richelieu (1585-1642) overleed, had d’Artagnan een affaire met de knappe vrouw van de herbergier wiens zaak hij regelmatig bezocht met zijn compaan Athos. Tot twee maal toe leidde dat tot een gevecht met de jaloerse echtgenoot. De herbergier werd beide keren zelfs opgesloten in de gevangenis Grand-Châtelet. Via zijn goede contacten met Comte de Treville redde d’Artagnan steeds zijn reputatie. En de bedrogen echtgenoot werd door de invloed van de Treville beide keren weer op vrije voeten gesteld. De Treville raadde d’Artagnan echter met klem aan een eind te maken aan de affaire. Een affaire met een dame van stand kon goed zijn voor reputatie en carrière, zo luidde de Treville’s advies. Maar een affaire met een herbergiersvrouw was het schandaal van een bedrogen echtgenoot die je naar het leven staat niet waard. d’Artagnan nam deze raad ter harte en maakte een eind aan de verhouding. Kort nadat de herbergier voor de tweede keer werd vrijgelaten overleed deze echter. Zijn vrouw nam haar oude professie weer op: de verhuur van gemeubileerde kamers. In de Rue Montmartre verhuurde ze een kamer aan een kapitein van de Garde Suisse genaamd Straatman, een vriend van d’Artagnan. Deze Straatman was daar terecht gekomen vanwege de goede wijn in de kelders. Hij werd verliefd op de voormalige maîtresse van d’Artagnan. Zij had echter haar zinnen nog steeds op d’Artagnan gezet, maar die hield voet bij stuk. Volgens d’Artagnan was ze gek om niet op de avances van Straatman in te gaan, want een Zwitserse Gardist verdiende twee keer zoveel als een reguliere gardist, en bovendien had Straatman kwaliteiten. De door d'Artagnan onbeantwoorde liefde maakte de weduwe van de herbergier wraakzuchtig. Toen Straatman haar ten huwelijk vroeg stemde ze na lang aandringen toe op voorwaarde dat hij d’Artagnan zou vermoorden. Straatman stuurde enkele sterke kerels van zijn garde op d’Artagnan af, die gewond raakt en  slechts met moeite wist te ontsnappen. Dit was kennelijk voldoende om de weduwe overstag te doen gaan, en zij trouwde korte tijd later daadwerkelijk met Straatman. Van verdere moordpogingen zag Straatman daarna wijselijk af.

    Bron: Memoires de M. d’Artagnan, vol. 1, van Gatien de Courtilz de Sandras, Keulen 1700.

    Gatien de Courtilz de Sandras (1644– 1712) baseerde met name het eerste deel van de triologie Memoires van M. d’Artagnan naar eigen zeggen op d’Artagnans eigen memoires. Hoewel dit twijfelachtig is, zijn veel controleerbare details uit de memoires waarheidgetrouw. Of de Zwitserse Gardist Straatman daadwerkelijk heeft bestaan  is onbekend maar niet denkbeeldig. Gezien de schrijfwijze van diens naam (Straatman met dubbele A) in de originele eerste druk uit 1700 lijkt het echter niet aannemelijk dat de Zwitserse Gardist ook echt een Zwitser was. De schrijfwijze met dubbele A is in Frans- en Duitstalige  landen ongebruikelijk. Een herkomst uit de Nederlanden lijkt logischer.

    zondag 15 november 2009

    Jan Straetman, tollenaar

    1640-1643, Runsfoortse Tol (tussen Doesburg en Zelhem)

    Jan Straetman (=Jan bij ’t Vuur) is pachter van de Runsfoortse Tol. De tol ligt niet ver van de zogenaamde Zwarte Kolk, nabij “de Wrange”, tussen Doesburg en Zelhem. De jaarlijkse pachtprijs bedraagt ongeveer 30 gulden, en de tol is voornamelijk gericht op agrarisch verkeer. Na 1643 worden de tarieven herzien en meer gericht op handelsverkeer.




    Een korte opsomming van voorgangers en opvolgers van Jan Straetman:

    1598-1601, Hendrick van Hengel                
    1602-1608, Zelle Janssen                            
    circa 1616,   Hendrick Boevinck                  
    1620-1626, Wolter Boevinck                      
    1632-1638, Jacob Hendricxs, de Wildschut 
    1638-1640, Aeltien, wed. Steenhoffs           
    1640-1643, Jan Straetman                           
    1643-1646, Joffer Boijers (onderpachter Hermen Fricken)
    1646-1649, Hermen Fricken, alias Brocken 

    In dit lijstje horen nog een paar namen als onderpachter of -beurder, maar onduidelijk is precies wanneer. In ieder geval wel vóór 1646: Kunera Elgers, Hans NN, Hendrik van Carpen en Alef NN.
    Het is de moeite waard om eens na te gaan of Alef NN eventueel Alef Straetman was, die op 26 januari 1667 te Oud-Zevenaar trouwde met Geurtje Wolters (getuigen Hendrick Straatman, Willem Bödden jr., Gerrit Schaepsdyck).

    Bron: Reizen is tol betalen. De verkeersontwikkeling in en om het gebied van Rijn en IJssel tot de Bataafse omwensteling van 1795, door J.W. van Petersen, Aalten 2002, pag. 282-284

    Stratenus. Hoogleraar, burgemeester en lijfarts

    1593-1681, Utrecht

    In de daklijst van het academiegebouw van de Universiteit van Utrecht, aan het Domplein, zijn tien portretmedaillons aangebracht van personen die een hoofdrol hebben gespeeld in de geschiedenis van de Utrechtse universiteit. De bijbehorende namen staan in een natuurstenen fries tussen de ramen van de begane grond en de eerste verdieping. Het betreft:

    1. Christophorus H.D. Buys Ballot (1817-1890), hoogleraar in de wiskunde (1847) en natuurkunde (1867).
    2. Franciscus Cornelis Donders (1818-1889), hoogleraar geneeskunde en fysiologie.
    3. Gisbertus Voetius (Gijsbert Voet) (1589-1676), eerste hoogleraar van de Universiteit Utrecht.
    4. Anthonius Matthaeus jr. (geb. 1635), hoogleraar in de rechtsgeleerdheid.
    5. Stratenus (Wilhelm van der Straten), eerste hoogleraar geneeskunde van de Utrechtse Universiteit (1636).
    6. Arnoldus Drakenborch (1684-1748), hoogleraar te Utrecht in de welsprekendheid en geschiedenis (1716-1748).
    7. Philip Willem van Heusde (1778-1839), hoogleraar geschiedenis, oudheden, welsprekendheid en Grieks (1803-1815); theoretische wijsbegeerte en letteren (1815-1839); bibliothecaris van de universiteitsbibliotheek (1816-1839).
    8. Jodocus Heringa Ez. (1765-1840), hoogleraar theologie (1794-1835).
    9. Gerardus Joannis Mulder (1802-1880), hoogleraar in scheikunde (1840-1868).
    10. Adrianus Catharinus Holtius (1786-1861), hoogleraar rechten (1835-1856). 
    Bron:  Peter en René van der Krogt, Mens & Dier in Steen & Brons

    Willem van der Straten (1593-1681) studeerde medicijnen in Leiden en promoveerde in Padua. Hij werkte in eerste instantie als "Apothecaris" en was in 1636 oprichter van de Utrechtse medische faculteit en één de eerste hoogleraren van de Utrechtse Hoge School. Hij gaf van 1636-1649 colleges in Utrecht, waar hij het praktische en aanschouwelijke onderwijs naast de theorie introduceerde. Daarna was hij een tijd professor aan de Universiteit van Leiden.
    Vanaf 1646 was Willem op voorspraak van zijn vriend Constantijn Huygens (die secretaris van Frederik Hendrik was) de officiële Lijfarts van achtereenvolgens drie Stadhouders van Oranje Nassau: Frederik Hendrik, Willem II en Willem III, de latere Stadhouder-Koning. Als zodanig was hij vertrouwenspersoon van zijn Heren en van o.a. Amalia van Solms, in wiens opdracht hij zelfs speciaal naar Kleef reisde voor een bevalling aan het Hof van Maurits. Na de (door de Oranjes gesteunde) moord op de gebroeders de Wit in 1672 schijnt Willem van Straten zich van de Oranjes gedistantieerd te hebben. Willem van der Straten was Burgemeester van Utrecht van 1674-1676 en is tevens "Gecommitteerde ter Reeckencamer van de Generaliteyt in Den Hage" geweest.  Willem van der Straten werd ook wel Stratenus genoemd.

    Bron: Dr. E.D. Baumann, Een lijfarts der Oranjes in de XVIIde eeuw, Utrecht z.j.


    vrijdag 13 november 2009

    Eleonora Gräfin von Strattmann

    1672-1741, Kleef / Wenen

    Eleonora Magdalena Ursula Gräfin von Strattmann und Peuerbach (1672-1741), dochter van Theodor Althet Heinrich Graf von Strattmann (Straetman) en Anna Maria Mechtildis Moliaert van Zierickzee, trouwt 25 november 1692 in Wenen met Adam Graf Batthyány von Nemet Ujvar (1662-1703). Daarmee is zij de stammoeder van het geslacht Batthyány-Strattmann.

    Na het overlijden van haar echtgenoot had Eleonora een levenslange verhouding met Prins Eugenius van Savoyen (1663-1736), beter bekend als Prinz Eugen, de legendarisch keizerlijk legeraanvoerder. Eleonora was invloedrijk aan het hof in Wenen en een populair bij de bevolking, die haar de bijnaam Wiener Lori of Schöne Lori gaf.

    De burgemeester Henrick Straetmann in het vorige bericht was haar grootvader.

    Burgemeester Straetmann wordt schutterskoning

    1648 juni 7, Kleef

    Het Antoniusgilde (schuttergilde) had besloten om in 1648 het zogenaamde “Vogelschieten” in ere te herstellen. Dit had sinds 1603 niet meer plaatsgevonden vanwege de aanhoudende bedrukkende oorlogsomstandigheden en “Unheil, Krankheiten und Elend”.  Alle hoogwaardigheidsbekleders uit Kleef en omgeving namen deel of stuurden een schutter die hen vertegenwoordigde.


    Na vier rondes schieten schoot Gildemeester Caspar Müller, waard in de “Goldenen Adler”, die deelnam namens Burgemeester Heinr. Straetmann, de vogel af. Spoorslags werd Straetmann uit de stad opgehaald, als Koning gelukgewenst en “die Spielleute und Schalmeien” voorop, naar zijn woning in de stad en vervolgens naar de “Goldenen Adler” begeleid.  Daar werd drie dagen feest gevierd. De Schutterskoning moest een oxhoofd wijn en 25 Taler inleggen.

    Bron: Zur Geschichte der Stadt Cleve aus archivalischen Quellen, door Dr. Robert Scholten, Cleve 1905, pag. 418-420

    donderdag 22 oktober 2009

    Misdadiger geradbraakt

    1545, Emmerik

    In 1545 werd te Emmerik ene Gert Strait ter dood veroordeeld voor verkrachting en moord van een 16-jarig meisje. Het oordeel werd aan Hertog Willem V van Kleef (1516-1592) voorgelegd. Deze verlangde uitlevering van de misdadiger om de veroordeelde op de plaats van het misdrijf terecht te kunnen stellen. Het gerecht van Emmerik ging daar echter niet op en voltrok het oordeel zelf: er wurde lebendig auf ein Rad gesetzt und, nachdem Arme und Beine mit einer Axt gebrochen, mit einem Schwerte zwischen Himmel und Erde zum Tode gebracht.
    Op dezelde manier werd in 1548 ook de moordenaar Friederich Minth terechtgesteld.

    Bron: Annalen der Stadt Emmerich, Von Andreas Dederich, Wesel 1867, pag. 286-287

    dinsdag 20 oktober 2009

    Liederlijk gedrag ener kapelaan

    1683 november 13, Münster

    Soms kom je tijdens je zoektocht naamgenoten tegen die er een verre van onbesproken levenswandel op na hielden. Zoals kapelaan Johannes Straatman. Hij was kapelaan in het Benedictijneressenklooster St. Aegidii te Munster van 1664 tot 1683.

    Op 13 november 1683 werd hij, na een schandaal veroorzaakt te hebben, opgesloten in de St. Mauritz poort. Hij had naakt over straat gelopen en was zich te buiten gegaan aan alcohol:
    Herr Stradtman, welcher cum scandalo hominum et praecipue cleri dahie gleichsamb nackendt auf den Strassen gehet und alles versauft, sole nacher St.-Mauritz-pforten ad custadiam gebragtt und dahselbsten mit geringen speissen bekostiget werden.

    Bron: Germania Sacra, Neue Folge, Bd.10, Die Bistümer der Kirchenprovinz Köln. Das Bistum Münster 10, Das Zisterzienserinnen- später benediktinerinnenkloster St. Aegidii zu Münster, bearbeitet von Wilhelm Kohl, Berlin, 2009 (Uitg.: Walter De Gruyter), pag. 417